De federale gerechtelijke politie staat onder de leiding van haar directeur-generaal. Die wordt omringd door een beleidsondersteunende
dienst die instaat voor de strategische planning en opvolging, management van mensen en middelen, gerechtelijke informatiehuishouding en internationale samenwerking.
Verder is ze opgedeeld in 27 gedeconcentreerde directies en 6 centrale directies die hun opdrachten uitvoeren in een constructieve en voortdurende interactie met elkaar.
Optimaliseren door afstemming
De afstemming tussen de twee niveaus wordt geoptimaliseerd door middel van een strategisch planningsproces. Dit proces geeft de verantwoordelijken
zicht op de aanwending van de middelen en de te verwachten doeleinden.
Dit proces garandeert dat er realistische verwachtingen kunnen worden geformuleerd ten aanzien van de directies en dat er a priori geen structurele overbevraging ontstaat in de directies of diensten (centraal of gedeconcentreerde).
Hierdoor wordt concreet uitvoering gegeven aan het nationaal veiligheidsplan dat het beleid van de federale overheid bevat voor een termijn van 4 jaar.
In de praktijk wordt deze werkwijze aangewend opdat de opdrachten inzake de aanpak van de prioritaire fenomenen op centraal en gedeconcentreerd
niveau efficiënt en effectief zouden verlopen. Zo zijn de centrale directies o.a. verantwoordelijk voor het opmaken van de beeldvorming op nationaal niveau en het ontwikkelen, het coördineren en ondersteunen van de politionele aspecten van de integrale en geïntegreerde aanpak.
Vanuit zijn autonomie binnen het gedeconcentreerd model, moet de gerechtelijke directeur, zijn diensten leiden om actief te zijn in de “juiste fenomenen” d.m.v. kwalitatieve onderzoeksdaden, rekening houdende met de lokale prioriteiten, met name de prioriteitenstelling van de Procureur des Konings, en de taakafbakening met de lokale politie.
Interne werkverhoudingen
Daar waar de verhouding directeur-generaal - directeur hiërarchisch van aard is, is de relatie tussen de directeurs van
het centrale en van het gedeconcentreerde niveau in principe complementair, lateraal en collegiaal. Voor beide niveaus is het een permanente uitdaging om elkaar te ondersteunen door het kwalitatief goed uitvoeren van hun opdrachten.
In een aantal aspecten kunnen directeurs hun eigen bevoegdheden uiteraard zelfstandig uitoefenen (b.v. de aanwending van de
onderzoekscapaciteit in de FGP ter uitvoering van de opdrachten van de gerechtelijke overheden), maar meestal hebben ze elkaar nodig om hun eigen opdracht goed te kunnen uitvoeren.
Leiding onderzoek
De opsporings- of gerechtelijke onderzoeken staan onder leiding van de bevoegde gerechtelijke overheden: federaal parket, procureur des Konings en onderzoeksrechter. Door vorderingen, de zogenaamde ‘kantschriften’, sturen de magistraten de onderzoekers aan.
Het gezag van de directeur-generaal of een directeur kan niet slaan op het verloop van een informatie- of gerechtelijk onderzoek in een FGP of in voorkomend geval in een centrale directie. Hun rol kan enkel bestaan uit het zonodig coördineren, het ondersteunen en controleren van de uitvoering van de opdrachten.